Mijn vader was tuinder, dus dat betekende 6 dagen per week gemiddeld zo’n 12 uur per dag werken. Zaterdags hield hij wel eerder op want dan ging de hele familie in bad, nou ja, we wasten ons, want ons huis had noch douche noch bad. Dus dat betekende dat er heet water gemaakt werd, met keteltjes op het gas, en iedereen zich met een teil warm water waste.
En zondag was vrij! Eerst de kerk natuurlijk, de Laurentius. Dan koffie drinken, waarbij de preek besproken werd (en natuurlijk wie er een nieuwe jas aan had of nieuwe hoed op). Om een uur of één warm eten, altijd soep, en altijd custardpudding. De hoofdmaaltijd wisselde nog wel eens, dat hing een beetje af van het seizoen. ’s Winters waren er vaak stoofpeertjes.
Daarna deed mijn vader een dutje, dus moesten wij als kinderen stil zijn, en als ADO thuis speelde ging mijn vader nog wel eens kijken.
Maar een heel enkele keer, in de zomer, gingen we met zijn allen naar het duin, naar de kruisberg! Dat was voor ons, niet verwende kinderen, feest. Limonade en pelpinda’s mee, en dan maar heerlijk spelen. Hoe vaak we de trappen op en af liepen heb ik nooit geteld, maar dat is heel wat keertjes geweest. Tikkertje doen en 'opschuilertje' (verstoppertje). Ik durfde nooit zo ver weg te gaan, als de dood dat ik zou verdwalen. Het duingebied was zo groot!
Heerlijke zondagen waren dat. Tot we oud genoeg waren om zelfstandig met een vriendin er op uit te trekken, dan ging je natuurlijk niet meer met je ouders mee…
Verhaal verteld op: 01-09-2005